CHAPTER 1: Het Incident in de Balzaal
Part 1
Op het politieke gala in Hotel Des Indes vernederde mijn schoonmoeder mij publiekelijk voor tweehonderd gasten en eiste dat de beveiliging mij als een indringer naar buiten werkte.
Toen een jonge serveerster het dapper voor mij opnam, liet mijn schoonmoeder haar ter plekke door de traiteur ontslaan.
Maar nog vóór de beveiligers mij konden aanraken, stapte een prominente man in een zwarte smoking naar voren, sloeg zijn arm om mij heen en zei luid tegen de zaal: “Zij is mijn moeder.”
Wat mijn schoonmoeder niet wist, was dat mijn broer diezelfde avond de fysieke bewijzen van haar corruptie aan de Rijksrecherche overhandigde.
Dit was geen gewone familieruzie, maar het begin van een politieke aardverschuiving in Den Haag waarvan de afloop nog volstrekt onzeker is.
De weelderige balzaal van Hotel Des Indes bruiste van de gebruikelijke, gedempte activiteit. Het geluid van zacht gerinkel van glazen en het subtiele gemurmel van tweehonderd stemmen vulde de ruimte. Ik, Annelies van der Meer, stond ongemakkelijk bij een zijdeur, krampachtig een klein glaasje bubbelwater vasthoudend.
Mijn zijden jurk, die ik voor deze avond speciaal had uitgekozen, voelde nu stijf en vreemd aan. Alsof ik een rol speelde die niet voor mij was weggelegd.
Mijn ogen dwaalden over de kandelaren, het glimmende parket en de belangrijke gezichten die ik herkende van televisie. Oud-ministers, Kamerleden, topambtenaren – allemaal in hun avondkleding, ogenschijnlijk ontspannen.
Maar ik voelde een kille onrust. Een voorgevoel dat deze avond niet soepel zou verlopen.
Toen ving ik haar blik op. Catharina van den Berg, mijn schoonmoeder en voormalig senator, stond op een verhoging aan de andere kant van de zaal, naast de presentator. Ze was in gesprek met een kleine groep invloedrijke mannen, maar haar ogen zochten en vonden de mijne, en een ijzige glinstering verscheen erin.
Mijn adem stokte. Ze had me gezien.
De presentator, een bekende nieuwslezer, wilde net de volgende spreker aankondigen. Catharina stapte echter met een weloverwogen beweging naar voren en griste de microfoon uit zijn hand. Haar glimlach was strak, maar haar ogen spraken boekdelen.
Een onnatuurlijke stilte verspreidde zich als een olievlek over de balzaal. Het zachte jazztrio stopte abrupt met spelen.
Catharina hief haar vrije hand op, een theatraal gebaar dat de laatste restjes rumoer de kop indrukte. Alle ogen waren nu op haar gericht.
“Dames en heren,” begon ze, haar stem helder en snijdend, versterkt door de microfoon, “het spijt me dat ik dit gala even moet onderbreken.”
Ik voelde de koude blikken. Ze wist precies hoe ze de aandacht moest vasthouden. Hoe ze een zaal moest domineren.
“Ik zie dat we vanavond helaas een ongenode gast onder ons hebben,” vervolgde Catharina, haar stem was nu doordrenkt van een schijnheilige bezorgdheid die ranzig smaakte.
Mijn hart begon sneller te kloppen. Dit was het. Het was begonnen.
Ze keek direct naar mij. Haar blik was veroordelend, vernietigend.
“Mijn schoondochter, Annelies van der Meer, heeft zich blijkbaar ongeoorloofd toegang verschaft tot dit besloten evenement,” zei Catharina. Een golf van gefluister ging door de menigte. Ik voelde me kleiner worden onder de honderden oordelen.
“Niet alleen dat,” ging mijn schoonmoeder door, haar stem veranderde in een scherpere toon, “maar er zijn sterke aanwijzingen dat mevrouw Van der Meer, in een periode van… euh… verwarring, enkele waardevolle familiejulenen heeft laten verdwijnen.”
Diefstal. De beschuldiging hing als een gifwolk in de lucht. Diefstal en dementie, twee vernederende stempels, hier, in het hart van het Haagse establishment. Mijn wangen gloeiden zo heet dat ik dacht dat ze vlam zouden vatten.
Ik wilde wegrennen, wegkruipen, verdwijnen. Maar mijn benen weigerden dienst. Ik stond daar, een standbeeld van schaamte.
Twee beveiligers in strakke zwarte pakken begonnen zich al richting mij te bewegen. Hun blikken waren gericht en onverzettelijk. Ze kregen orders en voerden die uit, zonder vragen.
Een jonge serveerster met rood aangelopen wangen, Lotte De Witt, stond plotseling voor me. Ze had een dienblad met lege glazen stevig vast. Ik schatte haar nog maar begin twintig.
“Mevrouw Van den Berg,” zei Lotte, haar stem was zacht, maar trilde van een onverwachte vastberadenheid, “dat is niet eerlijk.”
Catharina’s perfect gestileerde wenkbrauwen schoten omhoog. Een blik van pure, ongefilterde woede verscheen op haar gezicht.
“Wat zei u daar, meisje?” vroeg ze, haar stem was nu ijzig scherp. De hele zaal leek te verstijven.
“Mevrouw Van der Meer is geen dief,” herhaalde Lotte, haar kin iets omhoog. Haar stem werd iets luider, hoewel nog steeds zacht. “Ze is hier al de hele avond. Ze heeft rustig aan de bar gezeten en heeft niemand lastiggevallen.”
De stilte in de zaal werd nog zwaarder. Een enkele gast liet geschrokken zijn champagneglas vallen, dat met een scherpe klap op de marmeren vloer uiteenspatte. Niemand durfde te bewegen. Een serveerster die openlijk de machtigste vrouw in de zaal tegensprak – het was ondenkbaar.
Catharina’s blik was moorddadig. Ze wendde zich tot de chef-traiteur, een bleke, nerveuze man die al als een schaduw achter haar was komen staan.
“Cateraar,” beval ze, haar stem drukte op elk woord, “ik denk dat uw personeel een spoedcursus in discretie nodig heeft. Of beter nog, een nieuwe baan. Deze juffrouw is ontslagen. Per direct.”
De chef-traiteur stamelde een verontschuldiging. Zijn ogen schoten heen en weer tussen Catharina en Lotte, vol angst en onderdanigheid.
“Ja, mevrouw de senator. Meteen, mevrouw.”
Lotte’s gezicht trok spierwit weg. De kleur verdween volledig uit haar wangen. Haar hand begon zo hard te trillen dat de lege glazen op haar dienblad een angstaanjagend, zacht geluid maakten. Haar ogen schoten naar mij, vol paniek, als wilde ze zeggen: ‘Kijk wat ik voor u heb gedaan’.
De beveiligers waren nu slechts enkele meters van me verwijderd. Ik zag de hand van de voorste man al uitsteken, klaar om mijn arm te grijpen. De schaamte, de angst en de woede vermengden zich tot een giftige cocktail die in mijn keel brandde.
Ik kneep mijn ogen dicht, me schrap zettend voor de aanraking.
Maar die aanraking kwam niet van de beveiligers.
In plaats daarvan voelde ik een sterke, warme hand op mijn schouder. De geur van een vertrouwde eau de cologne bereikte me, een geur die ik al zo lang kende.
Ik opende mijn ogen. Naast me stond een man in een perfect gesneden zwarte smoking. Ik hoefde niet te kijken om te weten wie het was. Hij had zich met een doelgerichte vastberadenheid door de verstomde menigte gewrongen.
Hij sloeg zijn arm stevig om mij heen. Zijn stem, krachtig en met een onmiskenbaar gezag dat de hele balzaal stil kreeg, vulde de ruimte.
“Zij is mijn moeder.”
Part 2
De krachtige woorden van mijn zoon Mark galmden na in de doodstille balzaal. Honderden ogen, die zojuist nog op mij gericht waren geweest in veroordeling, schoten nu naar Catharina, vervolgens naar Mark, en dan weer naar mij. De spanning was te snijden.
Mark hield me stevig vast en keek zijn grootmoeder strak aan. “Mijn moeder,” herhaalde hij, zijn stem was kalm maar ijzersterk, “is vanavond hier op persoonlijke uitnodiging van de stichtingsvoorzitter. Niet als indringer, en al helemaal niet als dief.”
Een luide, collectieve ademtocht ging door de zaal. Mensen wisselden ongelovige blikken. De roddelmachine begon al voorzichtig te draaien, maar nu met een heel andere richting.
Catharina’s gezicht was een masker van woede, maar ze herpakte zich razendsnel. Haar stem, hoewel nu minder scherp, probeerde een toon van bezorgdheid aan te nemen. “Lieve Mark,” zei ze, met een gezochte zoetheid die totaal niet bij haar paste, “ik begrijp dat je je moeder wilt verdedigen. Maar je weet toch van haar recente… euh… verwarring?”
Ze keek de zaal rond, als wilde ze bevestiging zoeken voor haar leugen. “Annelies is helaas niet helemaal zichzelf de laatste tijd. Dat is de reden waarom ze wellicht denkt uitgenodigd te zijn.”
Mijn hart zonk. Ze probeerde me nu officieel als seniel neer te zetten. De blikken die op me rustten, waren nu niet langer boos, maar vol medelijden. Medelijden was erger dan woede.
Mark liet zich echter niet van de wijs brengen. Hij schudde zijn hoofd. “Grootmoeder,” zei hij, de formele aanspreekvorm benadrukte de afstand, “moeder is volledig helder van geest. En haar uitnodiging is… wel degelijk echt.”
Op datzelfde moment, buiten het schitterende Hotel Des Indes, stond mijn broer Henk in de gure avondlucht. Zijn gezicht was geconcentreerd, zijn handen stevig om een dikke, verzegelde bruine envelop geklemd.
Twee mannen in donkere jassen, met discrete insignes op hun revers, stapten uit een anonieme zwarte auto die geruisloos was komen aanrijden. Ze liepen resoluut op Henk af. Rechercheurs van de Rijksrecherche.
Hoofdstuk 2: Geruchten in de wandelgangen
Mark pakte mijn arm en leidde mij weg uit de drukke balzaal van Hotel Des Indes. De fluwelen gordijnen en de stilte van de gang voelden als een bevrijding.
We liepen een kleine, rustige salonsuite op de eerste verdieping binnen. Mark sloot de zware eikenhouten deur achter ons.
“Mama, je moet weten wat hier echt aan de hand is,” zei Mark. Zijn stem trilde licht terwijl hij zijn das lostrok.
Ik keek hem aan en wreef over mijn pols. “Catharina keek naar mij Такжеf ik een vreemde was, Mark. Een misdadiger.”
Mark zuchtte diep en keek naar de vloer.
“Ze vertelt al zeven maanden een verhaal rond in de Haagse netwerken,” zei hij. “Aan ministers, aan partijbestuurders, aan iedereen die wil luisteren.”
“Wat voor verhaal?” vroeg ik.
“Ze zegt dat je aan beginnende dementie lijdt,” antwoordde Mark zacht. “En dat je €45.000 hebt ontvreemd uit de kas van het cultureel fonds van de familie.”
De woorden sloegen in als een bom. Het beeld van de afgelopen maanden schoof in één seconde in elkaar.
Ik dacht terug aan de voorbije zeven maanden. Oude vrienden uit Den Haag die mijn telefoontjes niet meer beantwoordden.
Bestuursleden die op straat snel de andere kant op keken als ik langs wandelde.
“Ze heeft mij niet alleen buitengesloten,” zei ik, terwijl mijn ademhaling versnelde. “Ze heeft mijn verstand en mijn eer afgenomen bij iedereen die ik ken.”
Mark knikte langzaam. “En iedereen geloofde haar, mama. Omdat zij de oud-senator is en jij stil bleef.”
Hoofdstuk 3: Het spoor van het verdwenen geld
De deur van de suite ging open. Mijn broer Henk stapte binnen. Hij droeg een bolle lederen aktekoffer onder zijn arm.
“Het is geregeld bij de ingang,” zei Henk kort. Hij legde een dikke stapel bankafschriften op de glazen salon tafel.
Mark keek bevreemd naar de papieren. “Wat is dit, oom Henk?”
“Het bewijs waar die €45.000 echt is gebleven,” zei Henk. Hij tikte met zijn wijsvinger op een rood omcirkeld rekeningnummer.
Annelies keek over de schouder van haar broer mee.
“Mijn zuster heeft nooit één cent van dat fonds aangeraakt,” zei Henk hard. “Dat geld is via Stichting Vastgoedontwikkeling doorgesluisd.”
“Naar wie?” vroeg Mark.
Henk keek Mark recht in de ogen aan. “Naar een privérekening bij de Banque de Luxembourg. Op naam van Catharina van den Berg.”
Mark graaide de bankafschriften van de tafel en las de namen en bedragen. Zijn gezicht werd lijkbleek.
“Ze heeft mama beschuldigd van diefstal om haar eigen zwarte geldstroom te dekken,” zei Mark met een schorre stem.
“Precies,” zei Henk. “En het stopt niet bij die €45.000.”
Hoofdstuk 4: De zilveren vulpen uit 2012
Ik greep in mijn handtas en haalde er een zwaar, zilveren voorwerp uit. Het was de vulpen van mijn overleden echtgenoot.
Mark keek naar de pen. “Die pen lag toch altijd in de kluis thuis?”
“Tot vanmiddag,” zei ik. Ik legde de pen op de tafel tussen de bankafschriften.
Henk pakte de pen op en draaide aan de gegraveerde zilveren dop. Er kwam een klein, fijn stukje metaal tevoorschijn met een cijfercode.
“Je vader was niet gek, Mark,” zei Henk. “Toen hij in 2012 overleed, wisten wij dat er vreemde dingen gebeurden rond de gemeentelijke bouwprojecten.”
“Wat staat er op dat metaal?” vroeg Mark.
“Het is een gecodeerde kluisverwijzing,” zei Henk. “Van een notariskantoor aan de Lange Voorhout.”
Mark keek van de pen naar mij. “Wat ligt er in die kluis, mama?”
“De originele contracten uit 2012,” antwoordde ik rustig. “Het gaat over €3,2 miljoen aan steekpenningen. Betaald door projectontwikkelaars aan de stichtingen van Catharina.”
Mark deed een stap achteruit en leunde tegen de muur. De impact van het bedrag sloeg het schip onder zijn voeten vandaan.
Hoofdstuk 5: De tegenaanval van de senatrice
De deur van de salonsuite vloog met een harde klap open. Catharina stapte naar binnen. Haar houding was strak en haar ogen berekend.
“Genoeg van deze soap,” zei Catharina fel. Ze keek niet eens naar mij of Henk, maar richtte zich direct tot Mark.
“Je komt nu mee naar beneden, Mark,” beval ze. “De journalisten van de NOS staan in de zaal. Je gaat verklaren dat je moeder verward is.”
Mark bleef naast mij staan en verroerde geen vin. “Ik ga helemaal nergens heen, Catharina.”
Catharina deed een stap naar voren. Ze verlaagde haar stem tot een ijzig gefluister.
“Als jij je mond niet houdt, regelt mijn netwerk bij het ministerie van Financiën morgenochtend iets anders,” zei ze.
“Wat dan?” vroeg ik koud.
Catharina keek mij ten slotte aan met een giftige glimlach. “Dan wordt jouw nabestaandenpensioen per direct bevroren vanwege vermeende administratieve fraude.”
Mark balde zijn vuisten. “Je bedreigt mijn moeder waar ik bij sta?”
“Ik bescherm deze familie en onze partij,” zei Catharina strak. “Jullie hebben geen enkel idee hoe de macht in deze stad werkt.”
Ik keek haar recht in de ogen aan zonder te knipperen. “Probeer het maar, Catharina. Bevries mijn pensioen maar.”
Hoofdstuk 6: De ontmoeting met de Officier
Er werd twee keer hard op de openstaande deur geklopt. Een man in een donkergrijs pak stapte de kamer binnen, geflankeerd door twee strak geklede rechercheurs.
Catharina draaide zich geërgerd om. “Wie heeft u toestemming gegeven om…”
“Goedenavond, mevrouw Van den Berg,” onderbrak de man haar zakelijk. “Ik ben Maarten Lindeman, Officier van Justitie bij het Openbaar Ministerie.”
Catharina’s houding veranderde in een fractie van een seconde. Haar rug werd nog rechtser.
“Maarten,” zei ze met een gemaakte glimlach. “Wat een misverstand. Dit is een besloten familie-aangelegenheid.”
“Dat is het al lang niet meer,” zei Lindeman. Hij keek naar Henk. “Meneer Van der Meer, heeft u de stukken bij u?”
Henk pakte de zilveren vulpen en de notariële documenten van tafel en overhandigde ze aan de officier.
“Wij observen uw vastgoednetwerk al een heel jaar, mevrouw Van den Berg,” zei Lindeman terwijl hij het zilveren mechanisme bekeek.
Catharina slikking een keer, maar herstelde zich snel. “U heeft helemaal niets. Een stel oude papieren en een waardeloze pen.”
“Wij misten alleen het fysieke koppelstuk naar de kluis op de Lange Voorhout,” zei Lindeman rustig. “En dat hebben we nu.”
Hoofdstuk 7: Het verbond tussen zoon en moeder
Officier Lindeman bladerde door de eerste pagina’s van het dossier. Hij keek op en richtte zich tot Mark.
“Meneer Van den Berg, u bent lid van de Tweede Kamer,” zei Lindeman. “Wanneer bent u op de hoogte geraakt van deze geldstromen?”
Mark keek naar mij en pakte mijn hand vast.
“Drie weken geleden,” zei Mark eerlijk. “Ik zag ongebruikelijke overboekingen in de verkiezingskas van de partij.”
Catharina slaakte een hoorbare ademstoot uit. “Mark, houd je mond!”
“Nee,” zei Mark hard. “Ik ben veel te lang stil geweest.”
Hij keek de Officier van Justitie strak aan.
“Ik wist dat als ik dit intern zou melden, de partijtop het in de doofpot zou stoppen,” legde Mark uit.
“En daarom heeft u gewacht tot het gala?” vroeg Lindeman.
“Ja,” zei Mark. “Ik wilde dat haar geldschieters en de pers erbij waren. Zodat niemand de ogen nog kon sluiten voor de feiten.”
Ik knijpte zachtjes in de hand van mijn zoon. Voor het eerst in jaren zag ik de man die hij werkelijk wilde zijn.
Hoofdstuk 8: Een aanbod achter gesloten deuren
Catharina greep Mark bij zijn mouw en trok hem mee naar de kleine, aangrenzende kleedruimte van de suite. Ze sloeg de tussendeur dicht.
Henk wilde erachteraan lopen, maar de rechercheur van het OM stak zijn hand op en schudde zijn hoofd.
Achter de deur klonk het gedempte, dringende stemgeluid van Catharina.
“Je bent gek geworden, Mark,” fluisterde ze woedend. “Je gooit je eigen politieke carrière te grabbel voor een oude weduwe!”
“Praat niet zo over mijn moeder,” klonk de stem van Mark stellig.
“Luister naar mij,” zei Catharina sneller nu. “De formatie loopt. Binnen drie weken wordt het nieuwe kabinet gepresenteerd.”
Er viel een korte stilte.
“Ik garandeer jou de post van staatssecretaris op Binnenlandse Zaken,” zei Catharina. “Het is geregeld met de partijvoorzitter.”
“En wat moet ik daarvoor doen?” vroeg Mark.
“Je loopt nu naar die officier en je zegt dat de documenten van je oom Henk vervalst zijn,” zei ze. “Dat is alles.”
De tussendeur ging weer open. Mark stapte naar buiten, keek Catharina niet eens aan en liep direct naar Officier Lindeman.
“Ze probeert me zojuist om te kopen met een staatssecretariaat,” zei Mark luid en duidelijk in de ruimte.
Hoofdstuk 9: De vlucht via de garage
Catharina’s gezicht betrok volledig. De kleur trok weg uit haar wangen.
Ze keek vluchtig rond in de kamer, pakte haar kanten sjaal van de stoel en liep zonder nog een woord te zeggen de suite uit.
“Mevrouw Van den Berg,” riep Lindeman haar na.
Catharina negeerde hem en versnelde haar pas richting de personeelslift aan het einde van de gang.
Ze wilde niet via de hoofdingang naar buiten, waar de journalisten en de tweehonderd galagasten zich nog steeds verzamelden.
“Ze gaat naar de ondergrondse parkeergarage,” zei Henk snel. “Haar chauffeur staat daar te wachten met de Mercedes.”
Lindeman pakte zijn telefoon. “Team twee, blokkeer de uitrit van de garage aan de Mauritskade. Nu.”
We liepen via het trappenhuis snel naar beneden, achter de rechercheurs aan.
Toen we de kelderverdieping van Hotel Des Indes bereikten, hoorden we het gieren van autobanden op het gladde beton.
Bij de slagboom van de garage-uitgang stond de zwarte Mercedes van Catharina stil.
Twee auto’s van de Rijksrecherche hadden zich dwars voor de uitgang geparkeerd, met hun blauwe zwaailichten aan.
Hoofdstuk 10: De confrontatie op het heetst van de naald
De achterdeur van de Mercedes vloog open. Catharina stapte uit. Haar hielen klikten hard op het beton van de garage.
“Wat is dit voor een belachelijke vertoning?” schreeuwde ze naar de rechercheurs die haar opwachtten. “Ik ben voormalig senator! U heeft geen enkel recht mij te hinderen!”
Officier Lindeman stapte naar voren met een klembord in zijn hand.
“Mevrouw Van den Berg, u wordt verdacht van grootschalige corruptie, witwassen en valsheid in geschrifte,” zei hij rustig.
“Ik geniet parlementaire immuniteit voor besluiten uit die periode!” stotterde Catharina, terwijl haar stem voor het eerst sloeg.
Lindeman pakte het bovenste papier van zijn klembord.
“Dit is het notariële document uit 2012 met uw eigen handtekening als privépersoon,” zei Lindeman. “Geen parlementaire dekking.”
Hij pakte een tweede papier.
“En dit,” vervolgde Lindeman, “is een schriftelijke getuigenverklaring, een uur geleden ondertekend door uw kleinzoon Mark van den Berg.”
Catharina staarde naar het papier. Ze keek naar Mark, die een meter achter de officier stond.
Haar lippen trilden, maar er kwam geen geluid meer uit haar mond.
Hoofdstuk 11: De stille afgang
Twee rechercheurs stapten naar Catharina toe. Er kwamen geen handboeien aan te pas.
Catharina boog haar hoofd, stapte zonder verdere tegenweer achter in de onopvallende grijze auto van de Rijksrecherche en het portier klapte dicht.
We liepen terug omhoog naar de centrale lobby van Hotel Des Indes. De sfeer in het hotel was compleet veranderd.
Tientallen prominenten, ministers en geldschieters stonden bij de marmeren pilaren te fluisteren.
Toen Mark de zaal binnenwandelde, keerden meerdere voormalige politieke bondgenoten van Catharina demonstratief hun rug naar de pers en liepen weg.
Bij de garderobe stond Lotte De Witt, de jonge serveerster die eerder op de avond voor mij was opgekomen. Ze droeg haar eigen jas en hield een envelop vast.
De eigenaar van het cateringbedrijf kwam gehaast op haar af gelopen.
“Lotte,” zei de man nerveus, terwijl hij naar de aanwezigheid van de rechercheurs keek. “Er is sprake van een misverstand. Je kunt morgen gewoon komen werken. We verhogen je uurtarief.”
Lotte keek de man strak aan. “Mijn ontslag intrekken verandert niets aan hoe u net met mevrouw omging.”
Henk stapte naar Lotte toe en legde een kaartje in haar hand. “Als je een eerlijke werkgever zoekt, bel mij morgen. Ik help je.”
Hoofdstuk 12: Een schemerige keuken in Den Haag
Het was drie uur later op dezelfde avond. De klok aan de muur tikte gestaag.
Ik zat aan de houten tafel in mijn kleine, alledaagse keuken in de Haagse binnenstad. Het schelle licht van de tl-balk scheen op twee koppen thee.
Henk zat tegenover mij en nam een slok.
Mijn telefoon, die op het plastic tafelkleed lag, begon te trillen. Ik nam op en zette de luidspreker aan.
“Mama?” klonk de stem van Mark. Hij klonk afgemat.
“Waar ben je, Mark?” vroeg ik.
“Ik sta buiten bij het partijbureau,” antwoordde hij. “De partijtop vergadert al twee uur achter gesloten deuren.”
“Wat gaan ze doen?” vroeg Henk.
“Ze proberen de zaak stil te houden,” zei Mark met een zware zucht. “Ze praten over een buitengerechtelijke schikking met het Openbaar Ministerie om een openbare strafzaak te voorkomen.”
“En Catharina?” vroeg ik.
“Ze is na haar verhoor naar huis gestuurd in afwachting van het besluit van de procureur-generaal,” zei Mark. “Haar politieke vrienden oefenen immens veel druk uit achter de schermen.”
Ik keek naar Henk. De overwinning van een paar uur geleden in het hotel voelde plotseling heel broos.
Niets was nog zeker. Geen proces, geen veroordeling, geen definitieve gerechtigheid.
Ik hing op, pakte mijn warme kop thee vast en keek uit het raam naar de donkere, natte straat.
Gerechtigheid in deze stad is geen bliksemflits die alles schoonveegt, maar een lange, schemerige onderhandeling waarin je nooit zeker weet wie er aan het langste eind trekt.
Leave a Reply